| Scooter perikelen |
september 1998 |
|
| Wondere Wereld |
november 1998 |
|
| Emotioneel |
februari 1999 |
|
| Je bent lief |
februari 1999 |
|
| De Leidse Hout |
september 1999 |
|
| Een dagje op het water |
september 1999 |
|
| Bon Vivant |
september 1999 |
|
| Paaltjes slaan |
oktober 2000 |
|
| |
| Scooter perikelen |
|
Al enige maanden loop en fiets ik niet zo best. Om toch mobiel
te blijven lijkt een scooter mobiel de beste oplossing. Maar ik
aarzel nog. Het blijft een hele stap. Ik leg mijn zoontje voor dat
ik een scooter overweeg. Gaaf vindt mijn zoon. Als ik zeg dat deze
scooter drie wielen heeft, is hij iets minder enthousiast, maar
niet onwelwillend. Na een aantal proefritten weet ik welke scootermobiel
mijn voorkeur heeft. Een die wel 15 km per uur gaat en een goede
vering heeft.
Sinds woensdag staat hij in de voortuin. Na drie dagen wennen,
ga ik met mijn man op zaterdag de scooter testen. We besluiten om
naar het winkelcentrum te gaan. Het is al laat en met een grote
omweg is de kans om bekenden tegen te komen, gering. De voortuin
uit. Links en rechts kijken of de kust veilig is, en weg scheur
ik. Scooters hebben een geweldig acceleratievermogen. De snelheid
op het rechte eind valt wat tegen, maar verder gaat het prima. Bij
het winkelcentrum wil mijn man wel een rondje wagen. Terwijl hij
rond scheurt stapt de buurman het plein op. Gesnapt. Maar zo op
neutraal terrein valt het mee. En zeker als hij meldt dat zijn zoon
diep onder de indruk was van de snelheid waarmee ik wegree, ben
ik gerustgesteld.
De volgende test is: de stad in. Met een vriendin naar de bioscoop.
Allebei een beetje zenuwachtig. Bij een drukke verkeersweg komt
een wielrenner hard aangefietst. In een reflex knijp ik in mijn
handel. Maar bij een scooter geef je gas door de handel in te drukken,
en sta je stil door de handel los te laten. Het effect is dat ik
nog eens lekker op hem inrij. Vloekend komt hij overeind. Ik mompel
iets over pas nieuw en reflexen die nog niet aangepast zijn. Mijn
vriendin geeft mijn adres door voor eventuele schade en wij vervolgen
onze weg. Of de film leuk was is niet van belang. We gingen.
Tenslotte zijn we deze week naar een winkel geweest, met het hele
gezin. Het was weliswaar al donker, maar toch. Mijn dochter wilde
wel bij mij voorop als ze mocht sturen. Dat mocht ze. Zij het dat
de schrik er sinds het ongeluk wel een beetje inzit. Maar met een
schildpadgang kan er niets mis gaan. En alles verliep prima. Zonder
gêne parkeerde ze de scooter weer in de tuin terug.
Het komt vast wel goed tussen mij en de scooter.
|
| september 1998 |
Jeanet van der Vlist, Leiden
|
|
| |
| Wondere Wereld |
|
Tot mijn veertigste heb ik zelden een pc aangeraakt. Ik had er
op mijn werk wel een, maar die stond er voor de sier. Als enige
collega mocht ik mijn handgeschreven stukken nog bij de secretaresse
inleveren. Dat was altijd wel een beschamende gang, maar alles beter
dan zelf te moeten computeren. Mijn werk werd dan door een stagiaire
getypt. En meestal ging het nog twee of drie keer heen en weer voor
mijn stukje geheel foutloos en naar wens was. Mijn collegas
waren op de hoogte van mijn computeranalfabetisme. Ze stuurden me
wel mail, maar deden het voor de zekerheid ook nog eens op de post.
Zelfs mijn Curriculum Vitae werd door een bevriend collega op schijf
gezet. Ik stond erbij en keek vol bewondering naar zijn behendigheid.
Vooral zijn geswitch naar onderwater-schermen was zeer indrukwekkend.
Ik snapte er niets van.
Totdat ik van baan veranderde. Ik had nu een functie waarbij geautomatiseerde
systemen een belangrijk onderdeel van de functie vormden. Snel trachtte
ik in ieder geval het idioom machtig te worden, dan kon ik tenminste
meepraten. Zaken als: bestanden uitpakken, grootte van bestanden,
gebruikersvriendelijkheid, modems, werden steeds gewoner. En oefening
baart kunst. Ik leerde "word" en vroeg me af, waar ik
nu al die tijd zo tegenop gezien had.
Ik ben nu 43, ziek en aan huis gebonden, en ik ben heel blij met
mijn computer. Ik internet met Amerika, Australie, Belgie (alleen
weet ik nog steeds niet hoe je puntjes op de e moet zetten) en met
vrienden en collegas in Nederland. Ik bestel goederen via
Internet, en correspondeer zelfs met mijn dokter via Internet. Iedere
dag kijk ik of er post is en zend ik berichten uit.
Graag wilde ik mijn moeder deelgenoot maken van deze nieuwe wereld.
Samen togen we naar zolder waar mijn computer staat. Een stoel wordt
aangeschoven, en ik start mijn demonstratie. "Kijk mam, nu
wordt er gebeld naar een grote server". Mijn moeder hoort het
aan en vraagt of ze dan de telefoon niet moet opnemen. Ik leg beter
uit, dat de computer automatisch belt naar een andere grotere computer.
"Nu ga ik even kijken of er post voor me is", zeg ik vervolgens.
"Jammer", zegt mijn moeder, "dat ik de post net van
de deurmat heb opgeraapt, of ligt deze post bij het Postkantoor".
Ik kijk in twee glazige ogen, en zie het zinloze van deze hele onderneming
in. Pro forma rond ik mijn demonstratie af met een testmail naar
mijn man, maar ik leg niets meer uit. Snel rond ik af, en drinken
we een lekker kopje koffie.
Zo heb ik ook al eens semafoon en faxen tevergeefs aan haar uitgelegd.
Maar ik herken het. Was ik eigenlijk niet net als mijn moeder. Het
is een wondere wereld.
|
| november 1998 |
Jeanet van der Vlist, Leiden
|
|
| |
| Emotioneel |
|
Ik ben een huilebalk, altijd al geweest. Als ik maar iets emotioneels
zie op TV, of lees in de krant, ben ik verloren. Eerst probeer ik
nog manmoedig mijn opkomende emotie te onderdrukken: een paar keer
flink ademhalen, kaken en lippen op elkaar geperst. Maar alras is
er geen houden meer aan, ik geef me gewonnen en daar vloeien de
waterlanders. Het is steeds weer een gevecht, dat niet gewonnen
kan worden en maar niet wil wennen. Na de film Terms of Endearment
heb ik een hele dag met dikke, opgezette ogen rondgelopen. Gelukkig
was het zondag. Want onherroepelijk wordt mijn huilbui, zeker als
het een publieke manifestatie betreft, gevolgd door schaamte. En
misschien is die schaamte wel het ergst van alles.
Mijn vader was eraan gewend geraakt en wapperde vroeger meteen
met zijn grote zakdoek. Die mochten mijn moeder, die nog emotioneler
is dan ik, en ik dan delen. Het was een vast ritueel, en daarom
wel leuk. Huilen was in die besloten familiekring toegestaan. Mijn
vader was een emotionele man. Ik herinner me een boek dat hij had
over de tweede wereldoorlog met de titel "De dag waarop mijn
vader huilde". Die titel alleen al maakte veel indruk op me.
Vaders huilen niet en horen niet te huilen. Ik heb mijn vader twee
keer zien huilen, en dat vond ik ronduit beangstigend. Er moet wel
iets heel ergs gebeurd zijn, als je vader huilt. Ook mijn broer
is een emotioneel man.
Daarentegen is mijn eigen gezin verre van emotioneel. Nu ik ziek
ben, raak ik nog eerder uit balans. Zelfs bij een Nederlandse olympische
kampioen op de schaats, een gewonnen voetbalwedstrijd of een doorweekte
Adrie van der Poel, sta ik te huilen. Of wat dacht u van een zielige
tekenfilm, een aandoenlijk opvoedkundig programma of het afscheid
van mijn dochter die een week op kamp gaat. Mijn kinderen herkennen
het begin: het hortende ademhalen en de op elkaar geperste lippen.
Direct kijken twee paar kinderogen mij aan. "Nee hè,
mam, niet weer." Ze blokkeren het beeld van TV of nemen de
krant weg, trekken afleidende grimassen en kijken me bestraffend
aan. Ik mag pas weer doorgaan met mijn emotie veroorzakende activiteit,
als ik ze plechtig beloof niet meer te huilen. In zon klimaat
is het gevecht tegen de tranen nog belangrijker en moeilijker.
Maar als ik huil in een gesprek, is er meer tolerantie. Mijn zoon
droogt dan mijn tranen af en zegt: "niet meer over praten,
mam". En de zakdoek van mijn man heb ik al heel vaak aangeboden
gekregen. Net zon grote als die van mijn vader.
Alleen dat gejank bij die non issues, moet ik toch echt eens onder
de knie krijgen. Laatst huilde ik zelfs bij een zielige scène
in Goeie Tijden Slechte Tijden. Mijn dochter greep in en sprak me
streng toe: "mam, het is maar een soap". En gelijk heeft
ze. Maar ja, maak dat mijn tranen maar eens wijs.
|
| februari 1999 |
Jeanet van der Vlist, Leiden
|
|
| |
| Je bent lief |
|
"Je bent lief" zei mijn schoonvader, en direct gromde
en bromde mijn innerlijke wezen en tekende luid schreeuwend protest
aan. Ik! Lief! Dat nooit! Nou was de aanleiding ook alles behalve
lief te noemen. Ik was in huilen uitgebarsten nadat ik me met woorden
niet duidelijk kon maken. En toen mijn man voor mij ging uitleggen
waarom, werd ik alleen maar bozer. Dus, hoezo lief! Ik wil niet
lief zijn.
Toch vroeg ik me later af wat er nou zo verschrikkelijk aan is
om lief genoemd te worden. Ik schrijf toch ook lieve............
boven een brief als aanhef. Meen ik dat dan niet echt en is het
een pure beleefdheidsfrase? Of is lieve ..... iets heel anders dan
de woorden "je bent lief? Ja, het is iets heel anders.
Lieve staat bij mij voor: ik ben je toegedaan, je bent me nabij.
Met andere woorden het zegt iets over de relatie die ik met de ander
heb of voel. Daarentegen refereren de woorden "je bent lief"
meer naar een eigenschap van de ander. Die eigenschap wordt door
de gever blijkbaar hooglijk gewaardeerd. Zo niet door mij.
Ik vind lief zijn zo nikserigs, zo vreselijk jezelf wegcijferend,
zo subassertief. Wat is nou lief? Een kind dat zijn mond dicht houdt,
dat lief speelt, dat geen ruzie maakt. Een vrouw die altijd klaar
staat, nooit zeurt. En een man die... Nee, een man noem je niet
lief, dat is dan een watje. Maar altijd refereert lief aan iemand
waar je helemaal geen last van hebt en die zonder morren veel voor
je doet. Dat is misschien allemaal heel nobel. Maar ik voel een
enorme aversie.
Mijn hele leven lang al wil ik niet lief zijn. Noem me pittig,
kattig, kritisch, chaotisch, creatief, stoer. Hoewel dit stuk voor
stuk minder positieve eigenschappen zijn , heb ik met deze veel
meer vrede. Ze staan voor iets. Ze doen iets met je. Ze brengen
iets teweeg. Ja, ik weet het. Er gaat iets levendigs vanuit en dat
is wel iets wat ik mijn hele leven al nastreef: actie, doen, veranderen.
Misschien ook wel een beetje laten weten dat ik er ben. En dat staat
bij mij haaks op lief zijn.
Dus ook bij mijn dood, zeg nooit "ze was lief". Ik zou
me in mijn graf omdraaien. Alles beter dan "lief" genoemd
te worden.
P.S. Grote verwarring toen ik uit het boek EEN ONGEWOON GESPREK
MET GOD begreep dat we eigenlijk allemaal liefde zijn en dat we
mede op de aarde zijn om ons dat te herinneren. En ik wil niet lief
zijn? Toch nog maar eens op bezinnen. Overigens heb ik tegen liefdevol
geen enkel bezwaar, alleen ben ik dat niet zo.
|
| februari 1999 |
Jeanet van der Vlist, Leiden
|
|
| |
| De Leidse Hout |
|
Wij waren de eerste van onze vrienden die een eigen huis kochten.
Het huis voldeed in ieder opzicht aan de gangbare eisen; vooroorlogse
bouw, veel groen, brede straat, een beetje een linkse wijk. Kortom,
een politiek en sociaal "correct" huis. Al onze vrienden
zouden in de loop van jaren in dezelfde soort huizen verdwijnen.
Toch was het wennen voor ons. Daar zaten we dan; verbannen in een
buitenwijk, kinderloos omgeven door gezinnen, in een wijk die zich
meer op het kakkineuze Oegstgeest oriënteerde dan op Leiden.
Als wij twijfels uitten, dan werden deze door onze vrienden weggewuifd.
Wat zeurden we nou, het was toch een prachtig huis in een prachtige
omgeving en zo lekker dichtbij deLeidse Hout. Niet dat we ooit in
het Leidse hout kwamen, in mijn hele leidse leven had ik nog nooit
een stap in de Leidse Hout gezet.
Negen (of was het tien) maanden na onze verhuizing werd Floor geboren
(en zie een nieuw pluspunt: wat zijn de ziekenhuizen lekker dichtbij).
Deze gebeurtenis zou ons hele beleven van de wijk veranderen. We
waren niet meer weg te slaan uit de Leidse Hout. Floor hield van
wandelen en als we maar even stil stonden, kwam er uit onze grote
zwarte kinderwagen een gekrijs dat ons tot doorlopen aanmoedigde.
Van haver tot gort leerden wij de paadjes in de Leidse Hout kennen.
Ook van het theehuis werden we trouwe bezoekers. Met de geboorte
van Ward werd dit alleen maar versterkt. Het is duidelijk, de geneugten
van deze buurt laten zich alleen met kinderen kennen.
Ik werd 40 en vierde dat op passende wijze in het Theehuis. Maar
met het ouder worden van de kinderen kwamen wij minder in de Leidse
Hout. We joggen niet en zijn ook niet in het bezit van een hond,
dus weinig reden voor een bezoek. Tot dat ik ziek werd, veel tijd
over en een mooi bos dichtbij, dus wat let me.
Bijna dagelijks troon ik mijn bezoek mee naar de Leidse Hout. Hoofddoel
is het Theehuis, maar de wandeling erheen is de helft van het genot.
Ik schrijf wel wandeling, maar ik doe de route in een scootmobiel
of in een rolstoel, een weer heel andere manier om de Leidse Hout
te verkennen. Soms ga ik met Ward door het bos scooteren, geamuseerd
nagekeken door andere bezoekers. In het Theehuis ben ik een oude
bekende. Bijna zonder vragen wordt een jus d'orange met een rietje
voor me neergezet. Heerlijk zo'n vaste routine. Nee, het is een
schoon goed om in deze buurt te mogen wonen.
P. S. De spellingscontrole blijft maar aangeven dat de Leidse Hout
fout is en moet worden vervangen door het. Maar ja, de is veel chiquer
en tenslotte zijn wij bijna Oegstgeest.
|
| September 1999 |
Jeanet v/d vlist
|
|
| |
| Een dagje op het water |
|
Vandaag is het zo ver. Al meer dan een jaar heeft Hein een folder
van een fluisterboot in zijn bezit, maar het was er nog niet van
gekomen. Maar nu gaan we dan, een mooie zondag in september. Bij
de boot gekomen lopen onze vrienden ons tegemoet. Ik zie een grote
open boot aan de steiger liggen. Genoeg ruimte voor acht personen.
Vooraf heb ik, optimistisch als ik ben, er nauwelijks bij stil gestaan
hoe ik in moet stappen, maar nu bekruipt me toch een lichte angst.
Wankelend stap ik in. En gezeten op een stoel zal ik deze tocht
beleven.
Al voor we de haven uit varen, wil Floor in het water springen.
Dat weten we nog even tegen te houden. Maar al na een half uur hebben
we onze eerste consumptie te pakken; kwarktaart. We hebben geheel
in stijl een koffer vol proviand mee genomen; broodjes, kaas, eieren,
salade, kippenpootjes, druiven, chips, toastjes, bier, koffie en
wijn. En we blijken niet de enigen te zijn. Op alle boten die ons
passeren wordt enorm geconsumeerd. Afhankelijk van de sociale status
is dat bier uit blik of wijn in een glas en soms zelfs uit een koeler.
Nederland in zijn vrije tijd.
De kinderen vermaken zich opperbest. Er is een ruimte in de voorboeg
waar je met zijn vieren in kan, het luik gaat honderd keer open
en dicht. Titanic spelen op de boeg. Zwemmen aan een touw achter
de boot. En natuurlijk zijn er de beweegbare bruggen. Al tientallen
meters voor de brug staat de hele meute op de voorboeg, klaar om
aan land te springen. Alleen onze vriend, de kapitein, blijft achter
aan het roer. Steevast wordt in de haast om bij de brug te komen,
de landvast los gelaten. Dit tot irritatie van de kapitein. Alle
bruggen zijn weer anders en een spannend avontuur.
We varen langs oude boerderijen en idyllisch gelegen woonboten.
Er staat er een te koop. Even wanen wij ons de toekomstige eigenaren.
Voor de zekerheid toch maar even de prijs gevraagd; 3 ton, gekkenwerk.
We komen op de Kaag. Graag willen we vertellen van ons huwelijksfeest
in de Kaagsocieteit precies 10 jaar geleden, maar de kinderen kwetteren
erdoorheen, not interested. Ach ja, dat gemijmer van ouwelui.
Onze fluisterboot wordt van alle kanten ingehaald door motorboten
Het nut van ons fluistervermogen is miniem. Op de enige vaart waar
geen motorboten mogen komen en waar onze fluisterboot dus op zijn
plaats is, zien we direct een roofvogel. Voor de kinderen is het
duidelijk, dit soort natuurdingen horen bij een fluistervaart.
We verliezen nog een landvast welke Floor graag opgesnorkeld had
en we lopen bijna vast. Tenslotte plassen alle heren staand hun
cola en bier overboord. Nee, deze dag is precies zoals een dag op
het water hoort te zijn.
|
| September 1999 |
Jeanet v/d Vlist
|
|
| |
| Bon Vivant |
|
In mijn werkend leven ben ik altijd een tikje jaloers geweest op
die Bourgondische types. Die types die uitgebreid lunchen, altijd
de correcte globale antwoorden en verhalen hebben en niet te vergeten;
de juiste mensen kennen. Ik ben verre van zo'n type. Mijn detaillistische
kennis van zaken is geroemd, lunchen sloeg ik over en van prietpraat
hield ik niet. Nee, ik ben een werker, altijd gericht op de inhoud,
het resultaat.
Twee keer ben ik met mijn baas op buitenlandse reis geweest. De
reden voor beide reizen lag meer in het plezier maken dan in het
werk. Zo niet voor mij. Terwijl we in Parijs hoofdzakelijk voor
de lunch waren [in de brasserie waar Sartre en de Beauvoir vaak
kwamen], moest ik zo nodig alle Parijse telefoonwinkels afgaan.
In Praag idem dito. Terwijl mijn baas zich in het Casino vermaakt,
bereid ik me op de volgende dag voor. Nee ik hoef niet zo nodig
naar het buitenland. In het vliegtuig hoor ik steeds de stemmen
van mijn kinderen; 'mama, mama', en ik wil al weer naar huis.
Gelukkig leerde ik op een dure projectmanagers cursus de theorie
van de blauwe en bruine jasjes. In iedere organisatie zijn ze te
vinden. De blauwe jasjes zijn de jobhoppers, de blaaskaken, ze zetten
alles op hun kop om zelf binnen twee jaar naar een andere baan te
hoppen. De bruine jasjes daarentegen zijn de noeste werkers, op
hun continuïteit draait een organisatie. Niet lullen maar poetsen.
Ik ben onmiskenbaar een bruin jasje.
Echter in mijn vrije tijd komt er een geheel andere mentaliteit
naar voren. Ik vertoon dan toch meer Bourgondische trekjes. Zo vind
ik racefietsen heel leuk, maar de nazit [in de Grote Beer met een
koeler met witte wijn en tortilla chips of koffie met cointreau
op een strandterras], vind ik minstens zo belangrijk. En wat zou
tennis zijn, zonder witte wijn met vlammetjes. Of wandelen, zonder
te rusten op een terras met een heerlijke salade. Kortom, actief
zijn ala, maar wel met aandacht voor het grote genieten.
Nu ik ziek ben komen beide kanten mij goed van pas. Mijn bruine
jasjes mentaliteit houdt me van de straat. Het zorgt dat ik iedere
dag een plan heb. Dat ik een homepage open, dat ik de redactie voer
voor een informatie bulletin voor de Le Shan Stichting, dat ik kranten
voor de kinderen maak, dat al mijn foto's zijn ingeplakt, de boodschappenlijstjes
bedacht worden. , etc.. Mijn blauwe jasjes mentaliteit zorgt voor
het genieten; het op vakantie gaan, dagjes uit organiseren en het
vele bezoek aan terrasjes.
Misschien ben ik wel een bruin jasje met een blauwe voering.
|
|
September 1999
|
Jeanet van der Vlist
|
|
| |
| Paaltjes slaan |
Ik ben een geweldige doener en zeer resultaatgericht.
Als kind was ik al een organisatietalentje, maar is me dat resultaatgerichte
nooit zo opgevallen. In mijn werkend bestaan was het echter een onmiskenbaar
feit. Na iedere baan kon ik altijd haarscherp aangeven welke concrete
resultaten ik in die periode bereikt had. Ik streef het liefst tastbare
resultaten na.
Nou waren mijn laatste banen ook ideale resultaatgerichte banen. Als
formulemanager Primafoon was ik verantwoordelijk voor de inrichting.
Zelfs nu, ruim 5 jaar na vertrek, kom ik in iedere Primafoon relikwieën
uit mijn tijd tegen. Toen ik laatst in het AMC lag, liep ik tegen
een Telecenter carrousel aan, een hoekje waar je kan telefoneren en
faxen. Ooit heb ik aan de wieg gestaan van dat concept. Mijn laatste
baan behelsde het bevorderen van de mobiliteit van medewerkers. Ook
daar kon ik lekker aan de slag; campagnes, mobiliteitswinkels en vacaturebanken
ontwikkelen.
Zelfs mijn ziekte periode ben ik geneigd in resultaatgerichte termen
te evalueren. Zo ben ik trots op mijn homepage, de nieuwsbrief, de
musical, onze reis naar Amerika en nu weer mijn boekje. Toch is er
een stemmetje in me die zegt dat het er allemaal niet toe doet. God
of je medemens beoordeelt je natuurlijk helemaal niet op al die nijverheid,
maar of je een beetje prettig in de omgang was. En toegegeven daar
heb ik wel eens een steekje laten vallen. Ik ben beslist geen peoplemanager.,
al dat motiveren en coachen is niks voor mij
Laat mij maar paaltjes slaan.
|
| oktober 2000 |
Jeanet van der Vlist
|
|
| |
|